Zoektocht

What if?

Gastblog door Perla Schippers-Anröchte

“Ik weet niet wie mijn vader is”, vertelde ik als klein meisje met een bos blonde krullen aan andere kinderen. “Ik ben verwekt door middel van kunstmatige inseminatie”, zei ik dan gewichtig. De kinderen aan wie ik het vertelde snapten er geen fluit van, in het kleine Friese dorpje waar ik opgroeide. Voor mij was het gewoon een gegeven dat mijn vader anoniem was. Zo zijn kinderen; dingen zíjn nou eenmaal zo, je weet niet beter. Dat gegeven is in het afgelopen jaar met de start van mijn zoektocht echter getransformeerd naar een ‘what if?’.

Eén en één is niet altijd twee

“Mijn vader was een Leidse student”, vertelde ik dan, want mama had dat gezegd toen ik klein was. Ze had studenten door de wachtkamer zien lopen en haar was verteld dat het een ‘verse’ donatie was, dus één en één is twee. Nee. Eén en één is niet altijd twee! Het kan ook elf zijn; het is maar net hoe je ernaar kijkt.

Tot mijn zesde had ik twee ‘moeders’, maar dat werkte niet meer, dus bleef ik met mijn biologische moeder achter. Mijn liefdevolle maar zelfdestructieve moeder overleed toen ik net zestien was. Ja, dat is taai, om op zo’n leeftijd wees te worden en een nieuwe start te moeten maken, maar wat ik al zei: soms zijn dingen nou eenmaal zo. Intussen heb ik een waanzinnig tof leven, waar ik immens dankbaar voor ben, maar er blijven dagen waarop ik merk dat ik het mis om ouders te hebben. Dan is één en één gewoon nul, want de ene ouder is overleden en de andere mag ik niet weten.

Vraagtekens

Een vader heb ik nooit écht gemist. De vaders die ik als kind om me heen zag waren in mijn ogen een beetje zinloze kerels. Geen toegevoegde waarde, zeg maar. Toch zat er op een ver weggestopt plekje in mijn hoofd altijd dat grote vraagteken. Wie zou hij zijn geweest? Wat heb ik van hem? Zou ik op hem lijken? Zou ik halfbroers en -zussen hebben en hoe zouden die zijn?

Op een dag gaf iemand me een artikel over een donorkind uit ‘mijn’ kliniek dat op zoek was en in dezelfde periode als ik was verwekt. “Misschien is dit wel een halfzusje… jullie lijken wel een beetje op elkaar.” Een vrolijke meid van mijn leeftijd, met pretogen die ik niet herkende, keek me vanaf de krantenfoto aan. Emi Stikkelman, heette ze. Een stevig ‘what if?’ begon zich in mijn hoofd te nestelen…

In 2010, niet lang na het lezen van het artikel, werd er een tv-programma aangekondigd. In Wie is mijn vader? konden donorkinderen hun donorvader en ‘halfjes’ zoeken. Gaaf! Zonder ook maar een seconde te twijfelen, gaf ik me hiervoor op. Ik stond DNA af, zodat ik in de Fiom KID-DNA databank terechtkwam. Dit was in januari 2011.

Het idiote is dat ik toen al met hart en ziel wíst dat er geen match zou komen. Ik vóelde het en ik had gelijk; er is geen enkele match geweest in al die jaren. Intuïtie is een bijzonder fenomeen. Ik liet het rusten, mijn leven was heerlijk en ik was als persoon nog aan het groeien. Er werd een soort snoozeknop ingedrukt.

Hoppekee

Op 16 november 2016 besefte ik dat ik precies 33 jaar geleden was verwekt. Aan de ontbijttafel knapte er iets in me en hakte ik een knoop door. “Nú wil ik op écht zoek. Ik wil het in elk geval probéren, anders zal ik voor altijd spijt houden.” zei ik tegen mijn man, die vierkant achter me staat in mijn zoektocht. Nog dezelfde dag diende ik een aanvraag in bij SDKB om de donorgegevens op te vragen en vroeg ik bij de gemeente Amsterdam een uittreksel van mijn geboorteakte aan.

Net als velen voor mij plaatste ook ik een bericht hierover op Facebook; dat ik op zoek ging. Door de eerder genoemde Emi werd ik toegevoegd aan de besloten groep voor donorkinderen en donoren en het was een warm bad vol herkenning! Iedereen is ontzettend lief, begripvol, hulpvaardig en open in de groep. Wel veranderde hoe ik erin stond van: ‘het is wat het is’ naar ‘dit was niet mijn keuze’. Ik had immers niet gekozen om niet te mogen weten van wie ik afstam. Die keuze is voor mij gemaakt door iemand die al langer overleden is, dan dat ik haar levend gekend heb. Hoppekee, geen gedoe, ik wil álles weten wat ik maar te weten kan komen! Opgewekt begon ik aan het actieve zoeken. Wie weet zou ik mijn Leidse student-vader of halfjes vinden…

Niks Leidse student!

Op 16 februari, precies drie maanden na mijn aanvraag, kreeg ik een brief van de SDKB met daarin de mededeling dat ze geen persoonsidentificerende gegevens van mijn donor hadden kunnen achterhalen omdat hij een anonieme donor was, maar dat ik bijgesloten enkele fysieke en sociale gegevens van mijn donorvader aan zou treffen… *slik*

Ik herinner me het moment nog als de dag van gisteren. De post kwam terwijl ik met een goede vriend aan het telefoneren was en met de telefoon tussen mijn hoofd en schouder geklemd, opende ik de enveloppe. Mijn ogen flitsten over de gegevens en ik moest mijn kaak van de grond oprapen.

“Mijn vader was een getrouwde timmerman van 42!”, schetterde ik in de telefoon. “…en ik heb drie halfzussen!” Het bleef stil aan de andere kant van de lijn, terwijl ik uitgelaten door bleef tetteren. “Ik heb gewoon drie grote zussen… en… en… MIJN VADER WAS EEN TIMMERMAN!”

De verbazing over dit aspect van mijn donor was groot, omdat ik 32 jaar lang een Leidse student in mijn hoofd had gehad en dacht dat mijn intelligentie van hem afkomstig was. “Wauw… dan moet hij nu al… dik in de zeventig zijn”, rekende ik hardop. “Wauw…” Ik was blij met deze informatie! Dit was al meer dan ik ooit had durven dromen. Er stond echter geen donornummer bij, iets wat me verbaasde.

En toen?

In maart had ik een afspraak bij Medisch Centrum Kinderwens, waar ik niet veel wijzer werd, maar wèl het donornummer én het geboortejaar van mijn donorvader kreeg: 204 en 1937. Ongelooflijk hoe dingen kunnen veranderen. Opeens wist ik dat mijn vader al 80 wordt of is en misschien niet eens meer leeft en dat ik dus écht zussen heb. Ze bestaan écht! Meer informatie mochten, konden of wilden ze me helaas niet geven in Leiderdorp, maar ik was hier al zó blij mee.

Maar ik ben nog niet klaar. Ik hoef niet perse mijn vader te vinden; de goede man is al flink op leeftijd en ik weet niet in hoeverre ik dan misschien een gezin overhoop gooi. Is het aan mij om voor drie vrouwen te besluiten dat ze een halfzusje moeten leren kennen? Dat is nog wel een lastig punt, want ik wil ook niet voor anderen denken. Voor hetzelfde geld vinden ze het geweldig. Ik ben er dan ook nog niet over uit hoe diep ik wil gaan graven, maar ik voel dat het antwoord zichzelf wel zal aandienen als de tijd rijp is.

En nu?

Nu sta ik in de DNA-banken van Fiom, Family Tree DNA, GEDmatch en MyHeritage. Ook wacht ik op bevestiging bij 23andme, waar mijn DNA nu inmiddels aangekomen is en ik overweeg om ook nog Ancestry te gaan doen. Ergens is die ene speld in de hooiberg der DNA! Er zijn nog geen enorm concrete matches uit gekomen, maar elke dag voelt het alsof ik mijn schoen heb gezet. Ik weet alleen nog niet wanneer er iets in komt of wat dat is. Dat vind ik een heel optimistisch gevoel en ik kan dan ook alleen maar zeggen dat ik blij ben dat ik deze zoektocht ben begonnen!

Als mijn moeder stiekem meekijkt over mijn schouder, weet ik zeker dat ze net zo giechelt als ik wanneer ik weer een e-mailtje binnen krijg dat er een ‘nieuwe match’ is, die dan slechts 37 shared centimorgans blijkt te zijn. Ze is er sowieso altijd een beetje bij, wat ik ook mag vinden. En weet je? Eén en één kan nu van alles zijn en dat gevoel is onbeschrijflijk.

Liefs, Perla

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *